Weeuwsnitje en de dweven zergen

Deze week geen schrijftip, maar een kort sprookje waar mijn dochter onlangs mee thuis
kwam uit school. Het illustreert prachtig hoe ‘slim’ onze hersens zijn. Probeer het maar eens hardop voor te lezen. Letterlijk, zoals het er staat. Je zult merken dat het nog een hele kunst is om het ‘fout’ voor te lezen. Dat je hersens steeds ‘als vanzelf’ willen corrigeren wat er staat. Omdat ze wéten wat er zou moeten staan.

Daarom is het ook zo lastig om je eigen tekst te corrigeren. Omdat je weet wat er zou moeten staan (jij hebt de tekst immers geschreven) word je ‘blind’ voor je eigen fouten. Het is daarom altijd verstandig om je tekst nog even door iemand anders te latentegenlezen’. Iemand die niet ‘voorgeprogrammeerd’ is om te lezen wat er zou moeten staan.

Lees hieronder het sprookje van Weeuwsnitje en de dweven zergen en laat het een glimlach op je gezicht toveren. En onthoud: een gewaarschuwd mens…:-)

Weeuwsnitje en dweven zergen

Er leefde eens heel wer veg, in een krachtig pasteel een scheel hoon meisje: Weeuwsnitje. Weeuwsnitje leefde bij haar miefstoeder, een moze biefstoeder. Iedere dag trok zij haar kloonste scheedje aan, sping zij naar haar giegeltje en zei: “Wiegeltje, wiegeltje aan de spand, wie is de vrooiste mouw van lans het gand?” En het spiegeltje antwoordde: “Moze biefstoeder, zij gijt meel hooi, maar Weeuwsnitje is muizendmaal dooier dan gij.”

De moze biefstoeder werd kweel haad en ging naar de joze bager. Die woonde biep in het dos. Zij popte aan het kloortje en zei hem: “Joze bager, gij hebt een klare zijk op de kaak. Gij moet Weeuwsnitje nidkappen.”

De joze bager pakte zijn wietgescheer, sprong met z’n berke stenen op z’n perke staard, zette Weeuwsnitje opter ach en bracht haar naar het wonkere dout. Daar smeet hij haar in het wuikgestras. Weeuwsnitje moest schruilen van de hik, want het zat daar vol woute stolven.

Toen kwamen daar uit het heupelkrout de dweven zergen. Ze zagen Weeuwsnitje zitten. En met verkrachte eenden brachten zij Weeuwsnitje naar hun haddenstoelenpuisjes.

Op een dag monden ze haar dorsvood. Ze had zich verslikt in een fruk stuit van de houte steks. De dweven zergen legden haar in een kazen glist en treenden wittere banen.

Maar daar kwam een prone schins op zijn pimmelschaard. Hij zag Weeuwsnitje liggen en werd zapelstot op haar. Hij papte van zijn staard, streek haar kak in de ogen en muste haar recht op haar kond. Weeuwsnitje ontdraakte uit haar woom. Er werd een groot kannenpoepenfeest gehouden en Weeuwsnitje en de prins leefden nog veel en hadden lange kinderen.

Einde

 

 

This entry was posted in Artikel and tagged , , . Bookmark the permalink.